De avonturen van Egidius, de gefrituurde necrofiel (deel 4): Gevaren onderweg

Toen zij weder op de plek aankwamen alwaar de gezegende vlo voor het eerst de Volksdansers uit het oog verloor,merkten zij dat ze de Volksdansers nu wr niet ontwaren konden. Egidius wou zijn gezelschap weer terugvoeren, toen Mornedlorion wijselijk opmerkte dat de Volksdansers zich misschien nog wl binnen hun gezichtsveld bevonden, maar dat de nacht het geheel in het duister gehuld had. "Een waar feit om in overweging te nemen, mijn schalkse elf!Wij zullen ons daarom orienteren aan de hand van de sterren, die de elfen zo bekend zijn." sprak Egidius, het hoofd naar de hemel gericht, die flikkerde en fonkelde, ja, die als het ware schitterde en straalde van de overvloed aan prachtige hemellichtjes, hen door Moeder Natuur geschonken om hun weg te verlichten en hun pad te duiden.

Mornedlorion hief het hoofd en begon : "Daarginds zie ik de Grote Beri-Beri. Wij moeten nu links gaan van zijn puntige uiteinde." Hij keek Egidius veelbetekenend aan en keerde zijn hoofd in de door de Grote Beri-Beri aangeduide richting. Dit was echter niet de richting die zij tot hiertoe gevolgd hadden. "Neen." sprak hij "Dat pad durven wij, elfen, niet begaan.Want elke elf weet wat er zich achter die heuvels, die je oog daar ontwaren kan, bevindt.Daar wonen immers de Snoeshanen." Bij deze woorden betrok het gezicht van de gezegende vlo, dat tot hiertoe steeds zachtgelig met af en toe een beetje een zwart-blauwe schijn geweest was, tot een rimpelige paars-grijze hoop, die nog het beste te vergelijken viel met een berg schuimpudding in volle kruising met een rotte appel, maar dan znder oren. "Spreek voor jezelf, Mornedlorion!" sprak de vermetele Haefennasien,"ik ben niet bevreesd van een bende hoogbejaarde Istari die liever met hun toverstok zwaaien dan met om het even welk ander lichaamsdeel!Kom, metgezellen,laat u niet afschrikken door deze bevreesde elf hier aan mijn zijde; het zijn slechts persoonlijke ervaringen met een heerschap dat deel uitmaakt van de Snoeshanen,die zijn angst vergroot hebben." En na deze woorden gesproken te hebben, en Mornedlorion op een niet mis te verstane manier aangekeken te hebben, zodat die wist waarheen zijn welverdiende nachtrust dit keer zou gaan, verdween zij op het pad dat naar het Noorden leidt, en naar de alom gevreesde Snoeshanen.

Zij volgden Haefennasien onversaagd,en trokken de heuvels over.Bij het krieken van de dag, toen zij niet ver meer verwijderd waren van de vaste woonplaats der Snoeshanen,begon het de gezegende vlo te dagen dat hij honger had. Hij trok zijn wc borstel met de woorden: "Op jacht zal ik gaan, geen goed van vlees voorzien dierlijk wezen zal aan mijn woest wapen kunnen ontkomen! Neen, geen eetbare bosbewoner zal mijn hongergevoel nog ontkennen!" En zich met opgeheven hoofd in de richting van het bos begevend, zong hij luidkeels de liederen die hij kende, wat er gelukkig niet al te veel waren, en wat" Bakerman" zoal doet in de week werd tot ver in de diepe bossen gehoord.

"Halt! Gij overmoedige! Weet ge dan niet dat we ons vlak bij de Snoeshanen bevinden, en dat zij in dit bos tevens de wacht optrekken?" riep Haefennasien, doch de gezegende vlo had er geen oor naar, en niet in het minst omdat hij elke vorm van oor reeds van bij de geboorte moest ontberen. Doch mochten het zijn oren niet zijn , toch merkte elk ander van zijn zintuigen maar al te gauw de aanwezigheid van de Snoeshanen op. Want plots zonk niet enkel de moed hem in de schoenen, maar ook hijzelf, in de aarde weliswaar, maar elke mogenlijkheid tot het gebruiken van een spreekwoord moet ten volle benut worden.

Te laat kwamen Egidius en de elfen op de plaats waar het onheil was geschied. Want de gezegende vlo was reeds in de handen van de Snoeshanen gevallen, die hem met magische krachten hun woonplaats hadden ingezogen. "Wat," zo sprak Egidius verontrust,"kunnen wij doen, mijner elfen, om onze gezel, de gezegende vlo, weer terug te brengen?" "Ik denk dat de tijd rijp is om een oorlog tegen de Snoeshanen te ontketenen" zei Haefennasien met een oorlogszuchtige blik in de ogen. "Zo bevrijden wij onze gezel, ligt de doorgang naar het Noorden en de Grote Zee voor eens en altijd open, en kunnen wij elfen afrekenen met het volk dat ons doorheen de jaren al zoveel kommer en kwel bezorgd heeft." "Maar," wierp Egidius tegen, "hoe gaan wij met onze drievuldigheid het op kunnen nemen tegen een gans volk, dat dan nog geheel en al uit magiers bestaat?"

Het was toen dat de listigheid van Haefennasien en de schalksheid van Mornedlorion voor het eerst ten volle tot uiting kwam. Want een schalkse list was het die zij bedachten,daar, voor het gebied der Snoeshanen. Maar vooraleer zij de list aan Egidius uit de doeken konden doen, moesten zij eerst verhalen over het voorval dat Mornedlorion had meegemaakt met het vreemde heerschap der Snoeshanen. Hij was namelijk, zo ging het verhaal, op n van de jolige elfenfeestjes naakt aan het dansen in het bos geslagen, al waar hij plots belaagd werd door een wellustige Snoeshaan, die hem van alle eer beroofde, bespotte, bevuilde en hem vervolgens verdwaasd en voor dood achter liet. Hieruit konde de sluwe elfen uiteraard zonder enige twijfel opmaken dat deze Snoeshaan Mornedlorion wel zitten zag.

Daarom was het plan om Mornedlorion wederom naakt de bossen in te zenden, in de hoop dat het heerschap vol hernieuwde lust op hem af zou komen gesneld, en dat zij, de overige metgezellen; hem op heterdaad zouden kunnen betrappen, al even schalks als listig. Voor zijn eigen veiligheid en eer werd de dappere Mornedlorion de van de Volksdansers verkregen aarsstop meegegeven.Zij zonden hem met veel gelukwensen het bos in, zoals afgesproken was. Vanop veilige afstand bespiedden zij Mornedlorion, en werden door niemand anders gezien, aangezien Haefennasien als geen ander ongemerkt naakte elfen kon bespieden.

En zie! Vanuit de bossen kwam er reeds een Snoeshaan begerig aangelopen, en de Volksdansers bedankend, rukte Mornedlorion zich los uit de greep van de Snoeshaan en zag de verbazing op diens gezicht. Op dat eigenste moment wierpen Haefennasien en Egidius zich met volle overgave op de Snoeshaan, die al snel doorhad dat het hier niet om de spontane aanbieding van een triootje ging.

Hij werd overmeesterd en de mond gesnoerd vooraleer hij enige toverspreuk kon uiten. "Nu hebben we je, snoodaard!" riep Egidius hem toe. "Jij zal ons voorgaan naar het land van je volk, en geen tegengepruttel wil ik horen!" Weigerachtig als Snoeshanen plachten te zijn,bleef hij liggen.Daarom nam het gezelschap het medogenloze besluit om de Snoeshaan met Haefennasien alleen te laten. Lang moesten zij echter niet wachten vooraleer Haefennasien hen terug wenkte en de Snoeshaan bereid was hen de weg aan te geven. Gedwee strompelde hij voor het gezelschap uit, en na een lange tocht, toen de zon reeds hoog aan de hemelgewelven oprees, bereikten zij het wansmakelijke land der Snoeshanen.

Daar aangekomen wreekte Haefennasien de ontering van haar elfs gezel door de Snoeshaan met mr dan gelijke munt terug te betalen. Toen begon de avond reeds te vallen.

Zij lieten het bloedende lijk van de goddeloze Snoeshaan achter zich, nadat Egidius zich nog eventjes liet gaan, en aanschouwden het gebied der Snoeshanen bij valavond. "Ik vrees, mijn geliefde elfen, dat een oorlog ontketenen een zware taak zou zijn, en niet de meest verstandige oplossing. Wie gaan wij ter hulp roepen? Het elfenvlok is veraf, de Volksdansers zijn op weg naar het Zuiden, en ik ken geen andere bevriende volkeren in deze omgeving. Daarom lijkt mij de wijstste oplossing om de vertrekken van de leider binnen te dringen, waar wij ongetwijfeld onze onontbeerbare medereiziger, de gezegende vlo, zullen aantreffen." Na deze woorden te hebben laten ontsnappen aan zijne rijen der tanden, keek Egidius de elfen recht in de ogen, wat wel een hele opdracht was aangezien hij er maar over twee beschikte en de elfen samen toch minstens over 4. Toch lukte het hem uiteindelijk, en toen was het reeds nacht.

Beschermt door de mantel van duisternis gingen zij op zoek naar de woonst van de leider.

Google